— Nieuws
Al meer dan 35 jaar geleden waarschuwde de wetenschap: tot één graad opwarming blijft de schade beperkt, tussen één en twee graden ondervindt een deel van de wereld schade, en bij twee graden is vrijwel overal schade zichtbaar. Toch duurde het tot 2015 voordat landen in het Akkoord van Parijs concrete doelen stelden: de opwarming beperken tot maximaal twee graden, met de aansporing – mede onder druk van kleine eilandstaten – om te streven naar anderhalve graad.
Volgens Joyeeta Gupta, hoogleraar Milieu en Ontwikkeling van het Mondiale Zuiden aan de Universiteit van Amsterdam en lid van Het Groene Brein, is dit uitstel één van de zes onderdelen van klimaatonrechtvaardigheid. We vroegen haar: waar hebben we het eigenlijk over als we het woord ‘klimaat(on)rechtvaardigheid’ gebruiken? Aan de hand van zes onderdelen van onrechtvaardigheid licht ze dit toe.
De jarenlange vertraging gaf Westerse bedrijven niet alleen de ruimte om fossiele brandstoffen te blijven produceren, maar ook om ze – met hulp van exportkredieten – verder uit te breiden in het mondiale Zuiden. De fossiele infrastructuur die zo werd opgebouwd, is ontworpen voor langdurig gebruik en daardoor lastig uit te faseren. Dat is een tweede onderdeel van klimaatonrechtvaardigheid. “Doordat we tot 2015 hebben gewacht, is het zo benauwd geworden dat we niet meer in staat zijn om de rechten van wie wat mag uitstoten goed te verdelen tussen landen”, stelt Gupta.
Een derde type onrechtvaardigheid heeft te maken met het koolstofbudget. Als wij – Westerse landen – dit grotendeels opmaken, blijft er weinig over voor ontwikkelingslanden. “Toch stellen de SDG’s dat alle landen volledige soevereiniteit over hun natuurlijke hulpbronnen behouden. Daardoor kunnen ook ontwikkelingslanden hun ‘fair share’ van fossiele brandstoffen benutten, ook al heeft het Westen weinig ‘achtergelaten’.” Dit leidt ertoe dat de opwarming aanzienlijk boven de gestelde doelstellingen zal uitkomen. Gupta benadrukt: “Na jarenlange vertraging is het nu aan het Westen om ervoor te zorgen dat de energietransitie niet alleen hier plaatsvindt, maar ook wordt gesubsidieerd in ontwikkelingslanden.”
Hoogleraar Milieu en Ontwikkeling van het Mondiale Zuiden aan de Universiteit van Amsterdam en lid van Het Groene Brein
De vierde onrechtvaardigheid betreft verlegde mitigatie. “Toen ik jong was, vonden mensen het moeilijk om de uitstoot van fossiele brandstoffen in eigen land te verminderen,” vertelt Gupta. “Dus dachten ze: laten we het ergens anders doen.” Gupta doelt op de emissiehandel, waarbij landen als Nederland reductieprojecten in andere landen financierden en de behaalde emissiereducties vervolgens op hun eigen klimaatbalans bijschreven. “In plaats van te investeren in de opleiding van burgers, gemeenten en politici om zelf van fossiele brandstof af te stappen, besteedden we de opgave uit. We waren vooral bezig met het reduceren van uitstoot elders.” Gupta licht dit toe met een persoonlijk voorbeeld. Afgelopen jaar kreeg ze voor haar verjaardag een stukje bos in Costa Rica cadeau. “Maar je kunt nergens terugvinden waar dat stukje bos precies ligt, of hoe lang je er eigenaar van bent – een halve dag, een halve minuut?”. Gupta benadrukt dat veel van die net-zero initiatieven dubieus zijn en niet aantonen of ze werkelijk bijdragen.
Circulaire economie en klimaatrechtvaardigheid
Hoewel Gupta een circulaire economie als noodzakelijk ziet en gelooft dat deze samen kan gaan met klimaatrechtvaardigheid, benadrukt ze dat de circulaire economie niet alles oplost: “Vergeet niet dat hergebruik enorm veel energie en water kost. Om echt circulair te zijn, moeten we heel anders nadenken over hoe we huizen en andere producten ontwerpen.” Volgens Gupta moeten onderdelen als Lego-blokken eenvoudig uit elkaar gehaald kunnen worden zonder hun waarde te verliezen, “maar daar is altijd energie voor nodig. En energie is niet circulair. Energie kan wel hernieuwbaar zijn, maar vereist veel mineralen en metalen die vaak niet duurzaam worden gewonnen en batterijen die zeer vervuilend zijn.” Sommige producten veroorzaken blijvende schade omdat ze niet goed herbruikbaar zijn. Gupta noemt PFAS als voorbeeld: “PFAS-vervuiling is een enorm probleem. Het zit overal in – van regenjassen tot sportkleding – en het is extreem schadelijk. Ik word altijd boos over de luchtvervuiling in India, maar nu, na het laatste RIVM-rapport, zie ik dat je hier in Nederland bijna niets meer veilig kunt eten uit je eigen tuin door PFAS.” Gupta benadrukt dat de circulaire economie niet mag worden ingezet als excuus om noodzakelijke systeemveranderingen, zoals het uitfaseren van fossiele brandstoffen, uit te stellen.
Als vijfde onrechtvaardigheid benoemt Gupta de rekening van adaptatie. Hoewel het grootste deel van de broeikasgasuitstoot in de afgelopen 35 jaar heeft plaatsgevonden, zullen de gevolgen ervan zeker nog de komende eeuwen voelbaar blijven. “Daardoor is ons adaptatievraagstuk veel complexer dan wij dachten,” legt Gupta uit. Ze benadrukt dat alleen aanpassen niet voldoende is; we moeten investeren in het vermogen om ons aan te passen aan veranderende omstandigheden – de adaptive capacity. Tegelijkertijd groeit de financiële druk op burgers. Verzekeringsmaatschappijen trekken zich steeds vaker terug uit risicogebieden, waardoor mensen in kwetsbare regio’s er alleen voor komen te staan. Dit onderstreept de onrechtvaardigheid: juist de gebieden die het hardst worden getroffen, ontvangen de minste steun. Het World Economic Forum schat de wereldwijde jaarlijkse schade inmiddels op 15 miljard dollar.
De zesde en laatste onrechtvaardigheid verklaart voor Gupta waarom wij zoveel fossiele brandstoffen uitstoten: “we zijn ‘locked-in’ in een kapitalistisch consumentismemaatschappij”. Hierin worden we niet alleen aangemoedigd om meer te consumeren, maar ook gedwongen fossiele grondstoffen te gebruiken. Zo moeten we regelmatig onze telefoons updaten om ze goed te kunnen blijven gebruiken – en als dat niet meer mogelijk is, rest ons vaak geen andere keuze dan een nieuwe aan te schaffen. “Ieder product dat wij consumeren is met behulp van fossiele grondstoffen gemaakt”. Volgens Gupta moeten we deze maatschappelijke verankering doorbreken. Ze pleit daarom voor een verandering in hoe we met elkaar omgaan. “Een inclusief verhaal namens alle landen, onderbouwd met goede wetenschap: een Mondiale Grondwet.”
In een volgende bijdrage spreken we Joyeeta Gupta over wat een Mondiale Grondwet inhoudt en hoe jij daaraan bij kan dragen.
Deel dit artikel
Wil je als eerste het laatste nieuws over ons werk en ons team ontvangen? Blijf altijd op de hoogte en meld je aan voor onze nieuwsbrief! Schrijf je nu in en mis niets van onze updates!

Wij, en derde partijen, maken op onze website gebruik van cookies. Wij gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website goed functioneert, om jouw voorkeuren op te slaan, en om inzicht te verkrijgen in bezoekersgedrag. Door op ‘Voorkeuren’ te klikken, kun je meer lezen over de cookies die wij gebruiken en kun je jouw voorkeuren opslaan. Door op ‘Accepteren’ te klikken, ga je akkoord met het gebruik van alle cookies zoals omschreven in onze privacy- en cookieverklaring.