Blog Paul van Seters: Wie leidt de energietransitie in goede banen?

Paul van Seters, hoogleraar globalisering en duurzame ontwikkeling Universiteit van Tilburg en TIAS School for Business and Society, publiceerde op 1 september 2016 de volgende blog op de website van Trouw.   

Wie leidt de energietransitie in goede banen?

Bovenstaande vraag vormt het uitgangspunt van een white paper dat enkele van mijn collega’s bij TIAS, de Business School van de Universiteit van Tilburg, onlangs hebben gepubliceerd. (Zie link ) Dat paper is interessant zowel om de wijze van totstandkoming als om de inhoud. Daarnaast is het ook interessant om wat er niet, of in mijn ogen onvoldoende, aan de orde komt.

Eerst iets over de totstandkoming. De auteurs hebben speciaal voor dit paper gesprekken gevoerd met een aantal CEO’s van organisaties die actief zijn in de energiesector. De logo’s van de volgende zestien organisaties staan in het paper: Gasunie, Vereniging Eigen Huis, Stedin, Pure Energie, Solarcentury, Topsector Energie, Eneco, Tennet, SHV, Delta, RWE, Nuon, Enexis, VEMW, en Van Gansewinkel. Dit is weliswaar geen a-selecte steekproef, maar lijkt toch aardig representatief voor de energiesector-althans, voor de gevestigde orde daarvan.

Dan over naar de inhoud. De belangrijkste conclusie van het paper, zoals samengevat in het begeleidende persbericht, luidt als volgt: “Gesprekken met toonaangevende bedrijven in het Nederlandse energielandschap laten een opvallend gebrek aan reactievermogen en wendbaarheid zien: ondanks alle trends, vernieuwende technologieën en tekenen aan de wand hebben de grootste spelers moeite om het traditionele businessmodel van operational excellence te kantelen naar innovation en exploration.”

Het oordeel van de auteurs liegt er niet om. Opnieuw uit het persbericht: “Met name de gevestigde orde in de Nederlandse energiemarkt is onvoldoende voorbereid op de energietransitie.” Maar let op, de kwestie is niet dat men in de sector niet weet dat er een transitie aan zit te komen, men heeft alleen geen benul hoe daarop adequaat te reageren: “Dát er grote veranderingen op stapel staan is voor iedereen duidelijk; hoe die veranderingen uiteindelijk vorm krijgen is echter nog onduidelijk.”

Deze observaties bieden de auteurs van het white paper de gelegenheid te pleiten voor het belang van een nieuw onderwijsprogramma (uiteraard te verzorgen door TIAS Business School) “dat bijdraagt aan de ontwikkeling van een nieuwe generatie leiders in de energiemarkt en dat de versnelling in energietransitie als organisatie mogelijk maakt.” De laatste sectie van het paper, getiteld “Next Generation Leaders in Energy”, is gewijd aan een schets van zo’n academisch onderwijsprogramma of leerlijn.

De aandacht voor (nieuwe) leiders en (nieuw) leiderschap is op zichzelf begrijpelijk, zeker gegeven de achtergrond van de auteurs van dit white paper. Maar in mijn ogen is deze invalshoek tegelijkertijd de verklaring voor hun verwaarlozing van twee belangrijke dimensies van de reëel bestaande energietransitie. In de eerste plaats denk ik dan aan de stormachtige ontwikkeling van de Europese Energie Unie. Aan die Energie Unie wordt in dit paper merkwaardig genoeg geen woord gewijd.

In de tweede plaats wijs ik op de rol van het legioen van nieuwe burgerinitiatieven die zich inzetten voor duurzame energie. Die laatste worden, naar het woord van Maarten Hajer, de voormalige directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, ook wel aangeduid als “de energieke samenleving”. Vanuit die energieke samenleving wordt druk geëxperimenteerd met nieuwe vormen van opwekking, distributie en gebruik van duurzame energie. Maar ook over die experimenten zie ik in het white paper weinig tot niets.

Waarom zijn nu juist die nieuwe maatschappelijke experimenten van zo’n groot belang voor de energietransitie? Niemand weet hoe de energievoorziening er over tien of twintig jaar uit zal zien. Dat stellen ook de auteurs van het paper (“wij rijden in de mist”). Maar dat betekent dat de energietransitie zal verlopen volgens het model van Darwin: variatie, selectie, evolutie. Met betrekking tot de energietransitie vertaal ik dat als: laat duizend experimenten bloeien, in de praktijk zal overblijven wat levensvatbaar is, daaruit ontstaat een nieuw systeem.

Kortom, het lijkt mij een goede zaak dat ook business schools serieus werk maken van de energietransitie. En het ligt voor de hand dat zij zich daarbij vooral richten tot de volgende generatie van leiders in de energiesector. Maar die nieuwe leiders moeten niet alleen leren kijken naar de maalstroom van hun eigen organisaties, maar naar alle relevante aspecten van de energietransitie. Dus ook naar de energietransitie van bovenaf, zoals belichaamd in de Europese Energie Unie. En naar die van onderop, zoals die zich manifesteert in de nieuwe sociale energiebeweging.

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on Twitter